Een vloer om van te eten.
Dromen hoeven niet altijd bedrog te blijven. Begin jaren tachtig ging ik er een verwezenlijken. Een eigen biljartkamer in onze Mesdagkliniek.
Mijn jongste stiefdochter verliet het huis en liet een lege L-kamer achter. Deze kamer werd door gipswanden gescheiden van twee kleinere kamertjes. Als ik er de moker in mocht zetten, kon ik een ruimte maken van ongeveer zes bij vijf meter, genoeg voor een perfecte trainingsruimte.
De woningstichting en de (v)echtgenote gaven na het nodige gezeur van mijn kant na een tijdje toe. Als ik alles na mijn vertrek uit de flat maar in oude staat terugbracht (woningstichting), en als er nog maar een logeerplaats in die kamer kwam (vechtgenote). Ja, hoor. Plechtig beloofd.
Na een rumoerige sloopklus verdwenen de gipswanden met de container. Met een zwager een restpartij stokstijf behang op de kop getikt op de markt in Beverwijk. In twee dagen hadden we het met een speciale lijm zo tegen de muren zitten, dat het nooit meer los zou komen.
Met collega's op een vrijdagmiddag plafondtegels aangebracht, die steeds met stokken ondersteund moesten worden tot in de avonduren, met in onze andere hand pijpjes Heineken. Gezellig samen klussen. De volgende morgen hoefden slechts twintig tegels van de grond opgeraapt te worden en opnieuw te worden aangebracht. De kamer maakte een gelikte indruk. Nu nog de grote afmaker, voordat Wam v.d.Broek uit Haarlem de biljarttafel kwam plaatsen.
De vloer. Ik wist al welke vloer. Ik had de tegels al gezien bij een tegelbedrijf ergens bij Vijfhuizen.
Die zouden het gaan worden. Boerentegels in terra-cotta. Alleen op het loopvlak rond de speeltafel. De rest van de kamer zou ik volleggen met de overgebleven tapijttegels uit de vorige ruimten. Het kostte al genoeg.
Met weggeklapte achterzittingen reden we de parkeerruimte van het tegelbedrijf op. Ik liep recht naar de klapborden, waar de tegels in een voorbeeld om-en-om gelegd waren. Binnen seconden had ik het juiste bord. Vrouw moest even naar het toilet. Toen ze terugkwam, zag ze er niet erg opgelucht uit.
"Jij raadt nooit wie daarginds achter die balie werkt", zei ze met haar hand half voor haar mond.
"Wie dan?"
"Het is Jacco, Toon. Jacco!"
Jacco was voor ons beiden geen onbekende. Ik had Jacco in de klas gehad. Jacco hoorde bij de groep leerlingen, die wij "niet kunners - niet willers" noemden. Piet, onze coordinator destijds, had een mildere omschrijving. "Sommige jongens kunnen wij hier niet helpen", zei Piet dan. Dan wisten we, dat zo'n jongen halverwege de derde klas een kapitale fout zou maken, die zijn einde bij ons zou inluiden.
Zo gebeurde het ook Jacco. Hoewel een ruwe bolster, blanke pit, liep hij steeds tegen het gezag aan. Totdat hij bij de directie in het bijzijn van zijn vader een enorme beledigende schuurdeur opentrok. Jacco moest naar huis "in afwachting van definitieve verwijdering."
Op school waren wij hiermee klaar met Jacco. Maar ik bij mij thuis nog niet.
Hij had ongeveer een half jaar later een kortstondige relatie met mijn stiefdochter. Zo mocht ik hem met enige tegenzin ook in onze huiskamer begroeten. Het duurde maar kort. Op een avond bleef dochterlief wat pips bij de televisie zitten, terwijl ze anders reeds een uur weg was met Jacco. De waarheid was er snel uit. Het was uit. Jacco wilde alleen maar aan haar zitten, zo vertelde ze.
En zo was Jacco niet alleen op school, maar ook bij de meiden eerder een doener dan een denker.
Ik stak mijn hoofd om de hoek, om te kijken, of mijn vrouw soms waanbeelden zag. Dat was niet zo. Op enkele tientallen meters een uitbundig wuivende Jacco achter de verkoopbalie. Hij kwam er al aan. Dan maar het spel meespelen.
"Tegeltjes kopen, mijnheer?"
"Zeker, Jacco. En ik weet ook al welke het gaan worden. Kijk deze." Ik wees mijn favorieten aan.
"En hoeveel heeft u nodig?"
Het spel kwam in volle gang. "Dat weet ik eigenlijk niet, Jacco. Kijk hier heb ik een tekening. De kamer hoeft niet helemaal vol. Het is alleen voor om een tafel. De maten staan erbij. Kan jij dat voor mij uitrekenen?"
Dat hoefde Jacco helemaal niet voor mij uit te rekenen. Dat wist ik al lang. Maar in mij was het schoolmeestertje wakker geworden. Eens kijken of de kennis van het metriek stelsel bij Jacco na enkele rijpingsjaren nog wat gevorderd was.
"Dan moet ik mijn rekenmachientje er even bij nemen mijnheer." Natuurlijk. Als hij maar op ongeveer 180 tegels uit kwam.
Jacco kreeg het moeilijk. "Weet je wat je doet?", stelde ik voor. "Reken het straks maar in alle rust uit. Bel ons maar op, als je eruit bent.
Vandaag bestellen, morgen afhalen toch?" Een opgeluchte Jacco. Een paar uur later een enthousiaste Jacco aan de telefoon, die vertelde dat er de volgende dag voor ons 192 tegels in pakken van 6 klaar zouden liggen.
Ik was zowaar nog even trots op hem. Dat veranderde de volgende dag bij het ophalen. Bij het binnenlopen van de loods achter de zaak zag ik onze partij staan. Een gigantische partij, niet ineens mee te nemen in een Peugodje. Ik ging eens wat naderbij staan.
Ik zag wat er verkeerd was gegaan. Jacco had weliswaar foutloos de benodigde hoeveelheid tegels uitgerekend, maar de verkeerde maat tegels besteld. Waar ik tegels had besteld van 20 bij 30, had Jacco, op het verkeerde bord kijkend, tegels van 30 bij 45 besteld. Concentratiefoutje. Hetzelfde type tegel, zelfde kleur, maar groter. Robuuster. Mooier. En duurder.
In een flits was mijn boosaardige geest klaar met een afschuwelijk plan. Ik zou Jacco nog een keer treffen. Voor alles wat hij de school en mijn dochter had aangedaan. Gevraagd naar de magazijnmeester.
"Ik heb gisteren hier een bestelling gedaan, mijnheer. Maar het klopt niet. Het was bij die jongen daar."
De arme Jacco had nog niets in de gaten. Hij werd erbij geroepen. "Mooi tegeltje, niet, mijnheer?"
Ik legde kort uit dat Jacco een foutje bij het bestellen had gemaakt. Verkeerd typenummer. Concentratiefoutje.
Chef boos. Op Jacco. Begrijpelijk. "Dat flikt hij vaker, mijnheer. Wat moet ik nou met je?"
Jacco kromp ineen. Genoeg geweest. Tijd om het tij te laten keren.
"Dat mag u die jongen niet aanrekenen, mijnheer. Ik ben zijn ex-leerkracht Wiskunde. Hij was er een kei in. Maar u kunt zo'n knul niet zomaar zonder begeleiding op klanten loslaten. Hij heeft het goed bedoeld. Maar laat ik u een voorstel doen."
Ik wist, dat de chef dacht met een deels onverkoopbare partij te zitten. Wat ik zelf wist, was dat ik met deze partij mijn gehele achterkamer vol zou kunnen leggen. Hier lag mijn complete vloer. Niet te enthousiast reageren. Beetje teleurgesteld blijven.
"Als ik nu eens met een mooie oplossing kom", slijmde ik. "Ik neem de hele partij. Maar voor de helft van de prijs. En u moet het hele vrachtje bij mij thuis bezorgen natuurlijk, want dit is voor mijn vrouw en mij niet te vervoeren."
Nu spoot de chef vuur. "Nou probeert u er een slaatje uit te slaan, zeker. Zo werken wij hier niet!"
"Hoe kunt u zo iets beweren. Kom mee, vrouw. U heeft mijn nummer."
Buiten bij de auto schudde mijn vrouw haar hoofd. "Wat ben jij gemeen."
Een mooier compliment was ondenkbaar.
Wij leven in een verouderd rollenpatroon, mijn vrouw en ik. Op zaterdagochtend worstel ik de Volkskrant door, terwijl zij de achterkamer doet en de vloer boent. Als ze klaar is, ga ik altijd even haar werk bewonderen. De keizer gaat dan op zijn vloer staan, uiteraard op kousenvoeten, want anders zwaait er wat. Ik overzie mijn matglanzende verovering van een aantal jaren geleden. Bijna dertig vierkante meter boerentegels blinken mij tegemoet; destijds verkregen tegen een aanzienlijke korting van dertig procent, gratis thuisbezorgd en met excuses van de bedrijfsleiding.
En dat allemaal door Jacco. Hij deed het voorwerk; ik maakte slechts af.
Wat Piet destijds beweerde, is waar. Sommige jongens kunnen wij niet helpen.
Maar bij deze constatering ontgaat ons iets. Zij kunnen ons soms wel helpen. Niet altijd. Niet elke dag. Maar die dag komt. Wij moeten op die dag bedacht zijn. Het kan zomaar een mooie lentedag zijn, als wij op hun balie toelopen om tegeltjes te bestellen.
Zoals Toon Hermans ooit in zijn versje zei: "Pluk die dag; hij komt maar 1 keer."
jan. '10 Toon Rekmans.